The end of money  

Greco: the end of money

Een aantal weken gelden zijn we in het kader van slimme financiering op het thema van alternatieve geldsystemen gekomen. Ik zei al eerder dat dit een hele nieuwe wereld is, ook voor ons. Maar ondanks de overvloed aan informatie, is er ook veel kaf tussen het koren. Na wat speurwerk heb ik besloten eens te starten met een recent werk van Thomas Greco. Greco is iemand die als sinds de jaren 80 op dit thema zit en inmiddels een van de bekendste namen op het gebied is. Ik neem een recent werk van hem als uitgangspunt voor verdere discussies over en afbakeningen van het thema alternatieve geldsystemen.

Ik heb besloten uitvoerig op dit boek in te gaan. Inclusief een uitgebreide inleiding van mezelf betekent dat een serie van een aantal blogs die op elkaar voortborduren. Ik weet nog niet hoeveel blogs ik nodig heb maar ik zal ze netjes nummeren en er komt er om de 1-2 weken eentje bij.

Voordat ik op de inhoud van Thomas Greco 'The end of money' (2009) in ga, is het handig eerst een economisch-theoretisch kader neer te zetten. Misschien een lange inleiding, maar het voorkomt misverstanden en later bij de bespreking van Greco bespaart het ook weer tijd.

Een enkel persoon: Robinson Crusoe

De arbeidsbeslissing

Voor de duidelijkheid vind ik het handig helemaal terug te gaan naar de kern van de economie. Stel er is maar 1 persoon op de wereld (en dat is dus de metafoor van Robinson Crusoe op het onbewoonde eiland), hoe ziet het plaatje er dan uit? Robinson heeft eigenlijk twee dingen tot zijn beschikking: tijd en een eiland met spullen om zich heen. Die spullen, laten we zeggen noten, liggen op het eiland maar om ze op te kunnen eten moet hij moeite doen, hij moet de noten oprapen en openmaken voordat hij ze kan eten. In wezen is hier het economische vraagstuk: hoeveel van mijn (vrije) tijd moet ik opofferen om tot een bevredigende consumptie te komen? Afhankelijk van hoeveel moeite het hem kost de noten te vinden en open te maken (in economisch jargon: de productiefunctie) enerzijds en hoeveel honger hij heeft en hoe lui hij is (zijn voorkeur voor consumptie en vrije tijd, in economisch jargon: de nutsfunctie) anderzijds, bepaalt hij de optimale hoeveelheid arbeid die hij naar de 'markt' brengt. Zijn 'reele loon' is nu in feite hoeveel noten hij krijgt voor een uur of een dag arbeid.

De spaarbeslissing

Ik ging er in het voorbeeld van uit dat de noten elke periode (een dag of een jaar) op het strand of de bossen vallen en niet kunnen worden bewaard. Ze zijn aan het eind van de periode dus niet meer eetbaar. We breiden het model nu uit met de vooronderstelling dat de noten langer goed blijven. Nu krijgt het economische vraagstuk een tweede dimensie. Eerst was er alleen de vraag hoeveel ga ik werken, nu stelt zich ook de vraag: hoeveel ga ik nu consumeren en hoeveel later. Met andere woorden: hoeveel ga ik sparen? Robinson kan besluiten nu extra veel noten te gaan sprokkelen (dus minder vrije tijd te genieten) en maar een deel van die noten direct op te eten. Het restant van de noten kan hij dan de volgende periode opeten met als beloning dat hij dan meer vrije tijd heeft. Als elke periode er hetzelfde uitziet, dan heeft sparen niet zo veel zin. Sparen heeft zin als Robinson nu bijvoorbeeld sterk is maar in de toekomst misschien ziek wordt. Sparen kan ook zin hebben als Robinson verwacht dat de oogst dit jaar goed is maar de komende jaren minder zou kunnen zijn. Afhankelijk van hoe Robinson de toekomst inschat zal hij besluiten nu meer of minder te gaan werken en meer of minder te consumeren. Het resultaat is dat hij noten apart legt (spaart) om in de toekomst verzekerd te zijn van consumptie zonder dat hij er dan voor hoeft te werken. Van rente op sparen is hier uiteraard geen sprake. Hooguit van een negatieve rente als de noten toch elk jaar aan licht verval onderhevig zijn, als ze elk jaar minder energie bevatten of gewoon minder lekker worden. Dus ook bij een negatieve rente kan het zinvol zijn te sparen. In dat geval dwingen de onzekere omstandigheden en de barre omgeving Robinson ertoe te sparen.

De investeringsbeslissing

We maken het model nog een stapje ingewikkelder. De noten kunnen niet alleen bewaard worden, ze kunnen ook worden ingezet om een stuk gereedschap van te maken. Nu kun je met de noten dus drie verschillende dingen doen: je kunt ze meteen opeten, je kunt ze gewoon bewaren (laten liggen, sparen) of je kunt ze bewerken om er gereedschap van te maken. Nu kan Robinson niet alleen sparen, hij kan ook investeren. Waarom zou Robinson investeren? Het idee is dat als je nu noten gebruikt om er gereedschap van te maken, dat je dan in de toekomst met minder tijd meer noten kunt rapen of plukken. Je maakt van de noten bijvoorbeeld stokken of scheppen die je arbeidsproductiviteit in de toekomst vergroten. Ook bij een stationaire groei (of nulgroei) zul je moeten blijven investeren omdat machines en apparatuur verslijt en/of onderhoud behoeft.

Investeren zal Robinson alleen maar doen als hij daar een positief rendement van verwacht. De tijd die hij nu nodig heeft om het gereedschap te maken moet meer dan goed worden gemaakt door de tijd die hij in de toekomst uit kan sparen door snellere pluk of vangst. De verhouding tussen toekomstig bespaarde tijd versus nu extra benodigde tijd zouden we hier de reele rentevoet kunnen noemen. Hoe hoger deze rentevoet hoe meer Robinson geneigd is nu minder te consumeren en meer tijd te stoppen in de productie van 'machines'. Let op: ook bij een eenpersoonseconomie kan dus sprake zijn van een rentevoet (hebben we later nodig bij de behandeling van Greco). Maar de voordelen van de rente komen geheel en al ten goede aan Robinson zelf, het is zijn extra inspanning in het heden versus zijn eigen beloning in de toekomst.

Impliciet zitten in bovenstaande modellen nog twee vooronderstellingen verscholen. Robinson houdt van vrije tijd. Het omgekeerde daarvan betekent dat hij arbeid niet leuk vindt (want het gaat ten koste van vrije tijd). Arbeid vindt alleen plaats als daar een beloning tegenover staat. Die beloning noemde ik hierboven in deel (1) de reele loonvoet. Verder vindt Robinson consumptie in het heden fijner dan consumptie in de toekomst. Er zit iets achter van: je kunt het maar beter gehad hebben, ik leef in het nu en hoe het in de toekomst is moet je nog maar afwachten. In economentaal wordt dat tijdsvoorkeur genoemd. Robinson is alleen bereid huidige consumptie uit te stellen als daar in de toekomst een vergoeding tegenover staat. Als Robinson, alle overige omstandigheden gelijk, moet kiezen tussen dezelfde hoeveelheid consumptie nu of in de toekomst, kiest hij dus voor de consumptie nu. Sparen en investeren zijn allebei vormen van uitgestelde consumptie. In het voorbeeld van hierboven spaart Robinson alleen omdat hij wel moet (onzekere oogst of niet in staat te werken) en investeert hij omdat hij daar een positieve beloning voor terug verwacht. De positieve beloning van investeren noemden we hierboven de reele rentevoet. In economische termen: Robinson zal alleen investeren als het verwachte rendement op de investering hoger is dan zijn tijdsvoorkeur.

Merk tenslotte op dat sparen en investeren hier niet gelijk aan elkaar hoeven te zijn. Robinson kan sparen en investeren tegelijk, het zijn afzonderlijke overwegingen, ze zijn niet per se op elk moment aan elkaar gekoppeld (hoewel ze over een langere periode wel weer met elkaar in verband staan, maar dat gaat voor nu te ver om uit te werken).

In deze economie is geen geld aanwezig en ook geen schuldpapieren. Het zijn alleen goederen die de klok slaan. Geld en schuld heeft pas zin als er sprake is van meerdere personen die met elkaar iets kunnen uitruilen. Deel 3 gaat verder met een economie waarin meerdere personen goederen met elkaar kunnen ruilen.

Enkele conclusies (met het oog op vervolg naar Greco):

  • Rente of rendement is niet iets wat banken hebben uitgevonden
  • Maar een normaal mechanisme om beslissingen in de tijd optimaal in te kunnen richten
  • Rente heeft op zich niet zoveel met geld te maken, rente kan ook thuis horen in een pure goederen economie
  • Rente of rendement kan in bijzondere gevallen ook negatief zijn
  • Ook bij nulgroei van een economie moet er geinvesteerd worden om te compenseren voor slijtage (vervangingsinvesteringen)
  • Rente en groei zijn dus geen zaken die inherent leiden tot een onhoudbare of instabiele situatie (met alsmaar toenemende schuldenlasten etc)
  • Budget constraints (in de tijd) spelen een grote rol bij het brengen van evenwicht of het voorkomen van instabiliteit: je kunt of mag over een heel leven niet meer opmaken dan je in totaliteit verdient (of je nu een individu bent of een land)
  • Crusoe is een mooie metafoor voor duurzaamheid: afwentelen naar een ander of in de tijd is simpelweg niet mogelijk, Crusoe krijgt de consquenties van zijn eigen daden onherroepelijk voor zijn eigen kiezen

Meerdere personen

We maken van onze Robinson economie een echtere economie door aan te nemen dat we een land hebben met meerdere Robinsons die met elkaar spullen kunnen uitruilen. Niet elke Robinson hoeft hetzelfde te doen. De ene kan nu meer werken en later vrije tijd hebben en andersom. De ene kan nu meer consumeren en later minder en andersom. We laten de noten even varen en noemen het gewoon goederen. Nog steeds is er geen sprake van geld.

Uitgangspunt is weer dat elke inwoner een pakket 'resources' tot zijn beschikking heeft. Die resources bestaan uit zijn potentie om arbeid te verrichten (uitvindingen te doen etc). Elke inwoner van dit land staat nu voor de uitdaging om zijn resources in de tijd zo goed mogelijk in te zetten en te verdelen. De enige randvoorwaarde daarbij is dat je over de duur van je leven niet meer kunt opmaken dan je totaal aan resources en vergoedingen hebt of krijgt. In economen jargon heet dit de 'lifetime budget constraint'. De totale consumptie over een heel leven mag niet groter zijn dan de totale inkomsten of verdiensten in een heel leven. Bij Robinson was er ook zo'n conditie maar die ging daar vanzelfsprekend op omdat hij alleen was en er geen enkele mogelijkheid was om meer te consumeren dan door harder te werken. Met meerdere personen ontstaat nu de mogelijkheid elkaar dingen uit te lenen om die later weer terug te geven. Nu kun je hetzelfde blijven consumeren en toch minder werken door het missende deel bij te lenen van iemand anders.

Goederen bederfelijk

Laten we weer simpel beginnen en veronderstellen dat de goederen bederfelijk zijn (je kunt ze niet bewaren). Stel ik kan nu om een of andere reden niet werken maar wil toch consumeren. Omdat in deze economie niet iedereen in dezelfde levensfase zit, kan ik op zoek gaan naar iemand die nu meer goederen ontvangt of maakt dan dat hij nu opmaakt. Ik ga naar die persoon toe en vraag hem of ik zijn surplus aan goederen nu mag consumeren. Technisch is dat natuurlijk geen enkel probleem. De enige conditie voor deze economie is dat de totale consumptie gelijk moet zijn aan de totale productie (kan ook kleiner zijn, maar dan moet een deel van de productie worden weggegooid, en dat is niet logisch). De vraag is waarom iemand anders die een overschot heeft dat aan mij zou geven. Welnu, het idee is dat hij die goederen later weer terug krijgt. Ik sluit dus als het ware een lening af en beloof dezelfde goederen maar dan op een later tijdstip terug te geven. De belofte kan op een stukje papier worden geschreven en dat stukje papier is dan een schuldbekentenis die een zekere waarde vertegenwoordigt in het economische verkeer (het stukje papier geeft namelijk recht op de levering van x goederen op moment y).

Kan het terug geven van de goederen zonder rente gebeuren? In principe is een vergoeding van rente niet nodig als diegene die het overschot heeft geen andere mogelijkheid heeft (zelf niet consumeren leidt namelijk tot bederf van zijn goederen). In deze beperkte economie kunnen dus schuldpapieren circuleren zonder rente of vergoeding omdat iedereen zijn levenscyclus van consumeren en produceren optimaal kan inrichten. Zonder keuzemogelijkheid dus geen rentevergoeding. Maar waarschijnlijker is dat het een onderhandeling wordt tussen surplushouder en tekorthouder: wat heb jij ervoor over om nu meer te consumeren en wanneer ben ik bereid mijn consumptie uit te stellen? Ook kan het voorkomen dat een groot deel van de bevolking nu meer wil consumeren en een relatief klein deel consumptie wil uitstellen. Er is dan schaarste aan uitgestelde consumptie en dat betekent dat de kleine groep spaarders een vergoeding in de markt kan vragen. Het omgekeerde kan overigens ook: heel veel mensen hebben gedwongen goederen over en bijna niemand wil nu consumeren. In dat geval zal er een boete (een negatieve rente) komen op uitgestelde consumptie. De boete of vergoeding op uitgestelde consumptie werkt op deze manier als een evenwichtsherstellend mechanisme.

Conclusie: een rentevergoeding bij schuldpapieren is in deze simpele economie onder bepaalde aannamen niet noodzakelijk, maar vanuit marktwerking is het aannemelijk dat er een vergoeding zal bestaan voor spaargedrag.

Voorraad vorming

De volgende stap is dat we in deze ruileconomie aannemen dat de goederen niet langer bederfelijk zijn. De goederen kunnen ook worden opgeslagen of bewaard (met eventueel een mindere kwaliteit in de loop van de tijd). Nu worden de keuzemogelijkheden voor de inwoners uitgebreid. Hiervoor gold dat de consumptie gelijk moest zijn aan de productie, nu is dat niet langer het geval. De totale consumptie kan nu maximaal gelijk zijn aan de totale productie plus wat er in de vorige perioden is bewaard of gespaard. Een individu kan nu dus zelf zijn toekomst regelen door nu harder te werken en minder te consumeren en meer te bewaren of op te slaan. Vanzelfsprekend staat er in dat geval geen rentevergoeding tegenover. Het alternatief van zelf opslaan zonder rentevergoeding (sterker nog: mogelijk kwaliteitsverlies) blijft nog steeds om het aan iemand anders te geven met de belofte dat de goederen op een later tijdstip worden terug gegeven. Het in eigen beheer houden van je spaargedrag houdt minder risico in, je bent het immers zelf die toezicht houdt op je opslagplaats. Om je goederen aan een ander te geven, zul je toch een tegenprestatie verwachten in de vorm van een rentevergoeding. Er is altijd een risico dat iemand anders niet aan zijn verplichtingen kan voldoen.

Investeren

Dan is de volgende uitbreiding van deze ruileconomie weer dat de goederen niet alleen kunnen worden opgeslagen maar ook kunnen worden omgezet in investeringsgoederen. Nu zijn er dus nog meer mogelijkheden voor een individu om de stroom consumptie in de tijd optimaal te matchen met de stroom aan productie en inkomsten. Voor de totale economie geldt nu wederom dat het totale aanbod per periode gelijk moet zijn aan de totale vraag naar goederen. Het aanbod bestaat uit de in deze periode vrijkomende productie plus de in de vorige perioden bewaarde goederen. De totale vraag bestaat nu uit de lopende consumptie van goederen plus de investeringsvraag. Ook hier geldt weer dat er meer geinvesteerd zal worden naarmate de toekomstige productie door die investeringen hoger zal uitvallen. Als we nu weer de vraag stellen naar de mogelijke vergoeding van rente op schuldpapieren wordt het antwoord nog duidelijker. Iemand met een overschot aan goederen heeft nu de keuze zijn goederen te investeren met het vooruitzicht daar een reele vergoeding in de toekomst voor terug te krijgen (de reele rentevoet die wordt bepaald door de meerproductie in de toekomst gedeeld door de investering in het heden).

Hoe zal zo iemand verleid kunnen worden zijn surplus aan goederen af te staan aan iemand die er nu meer voor wil consumeren met de belofte die goederen in de toekomst terug te geven? Zo'n 'surplusser' zal alleen overtuigd kunnen worden van zo'n deal als er een vergoeding tegenover staat die minimaal in de buurt komt van de vergoeding die hij kan krijgen door zijn goederen te investeren. Oftewel: een lening heeft alleen zin als er een reele rentevergoeding tegenover staat. Let wel: er is in deze economie nog geen sprake van geld of van banken. Het pure feit dat individuen een tijdsvoorkeur hebben en er mogelijkheden bestaan om goederen renderend te investeren (omwegproductie, met een reeel rendement) leidt er toe dat er schuldpapieren kunnen worden verhandeld waar een rentevergoeding tegenover moet staan, een en ander afhankelijk van vraag naar en aanbod van deze schuldpapieren.

Schuldpapieren

Onze voorbeeld economie hierboven kent al de nodige financieringsconstructies. Van financiering is sprake als je op enig moment niet voldoende middelen hebt om je ambities te realiseren. De makkelijkste is als je meer wilt consumeren dan je op dat moment aan inkomsten of productie of vermogen hebt (dus productie in het heden plus wat je eerder hebt gespaard). In dat geval kun je dus goederen lenen van een ander. Je schrijft een schuldbekentenis uit en zult in de toekomst goederen met een vergoeding terug moeten betalen. De schuldpapieren kunnen in principe verhandeld worden als de goederen aan toonder moeten worden geleverd. De waarde van de schuldpapieren wordt bepaald door het aantal goederen dat geleverd moet worden inclusief de extra goederen in de vorm van rente, door de tijdsvoorkeur en door het eventuele risico van wanbetaling.

Als je wilt investeren en je hebt de goederen op dat moment niet zelf voorhanden, dan geldt in wezen dezelfde redenering. Ook dan kun je schuldpapieren uitgeven. Het maakt diegene die de goederen afstaat in wezen niet zoveel uit of je het gebruikt om nu te consumeren of dat je er iets anders mee doet. De aanname is dat de goederen met een rentevergoeding worden terugbetaald later in de tijd. Toch is het handig bij een investering een onderscheid aan te brengen. Bij consumptie hebben we het gewoonlijk over een lening. Bij een investering kun je een onderscheid maken tussen vreemd vermogen of eigen vermogen. Vreemd vermogen wordt in investeringstaal ook wel een obligatie genoemd. Een obligatie is in wezen hetzelfde als een consumentenlening, er worden goederen geleend in het heden en later worden die goederen met een vergoeding terug gegeven. Maar bij een investering weet je nooit hoe het uitpakt, het risico is substantieel hoger dan bij een gewone lening. Daarvoor is eigen vermogen bedoeld. Met eigen vermogen koop je als het ware een aandeel in de nieuwe investeringsactiviteit (het bedrijf).

Dus weer even in termen van onze voorbeeld economie. Ik wil investeren (want ik geloof dat de omweg productie die mij voor ogen staat veel gaat opleveren, maar ik weet het niet zeker, het kan mislukken) maar heb onvoldoende middelen om dat nu zelf voor elkaar te krijgen. Ik kan mensen met een overschot aan goederen vragen of ze hun goederen aan mij willen afstaan. In ruil daarvoor krijgen ze een papier (een aandeel) waarop staat dat ze niet hun goederen terug krijgen maar elke periode een deel van de (onzekere) winst die ik ga maken. Als ik gebruik bij mijn investering gebruik maak van zowel vreemd als eigen vermogen geldt dat ik van de opbrengst van mijn omweg productie eerst de goederen terug moet betalen van de leningen en pas als er dan nog iets over is goederen kan uitkeren aan de verschaffers van eigen vermogen (dat heet dan dividend). De papiertjes waarop staat dat ik recht heb op dat jaarlijkse dividend heten aandelen en die kunnen worden verhandeld. De waarde van die aandelen worden bepaald door de verwachte stroom dividenden in de toekomst, door mijn tijdsvoorkeur en door het risico dat bij de investering hoort.

Geld

Merk op dat alle ingredienten in het economische verhaal zitten en dat er nog helemaal niet is gerept over geld. Alles kan worden uitgedrukt in goederen: het loon, de rente, het dividend, de lening. In een simpele economie waar maar een soort goed bestaat dat voor alles en nog wat kan worden ingezet kan dat. Eigenlijk is het goed hier ook het geld. Het is reeel geld dat je ook kunt opeten. Sommige economen beweren dan ook dat geld in die zin niets toevoegt: geld is gewoon een manier om die goederen om te zetten in nominale bedragen (Euro's). Er is een vaste verhouding tussen de hoeveel geld in de economie en de hoeveel goederen. Er komt nu wel een complicatie bij, want door de hoeveelheid geld te verhogen gaan alle goederen nominaal in prijs omhoog en omgekeerd. Geld introduceert dan inflatie of deflatie, maar die is puur rekenkundig, heeft geen reele effecten op onze voorbeeld economie.

In werkelijkheid is natuurlijk niet sprake van een universeel goed. Er zijn meerdere goederen en iemand die goederen van type a overheeft zal in de regel iemand ontmoeten die goederen van type b nodig heeft. Geld zorgt er dan voor dat de alle goederen vergelijkbaar worden gemaakt, zowel onderling als in de tijd. Nu zal dus iedereen in geldeenheden gaan rekenen. De loonvoet wordt nominaal, de rentevoet wordt nominaal en dividend wordt nominaal. Theoretisch hoeft er door de introductie van geld niet veel te veranderen in onze voorbeeld economie. Maar in de praktijk trekt geld een sluier om de reele economie, er komt een extra vertaalslag met alle mogelijke fouten, onzekerheden en verwarringen die daarbij horen. Hier zijn bibliotheken over vol geschreven en het gaat voor dit verhaal te ver daar op in te gaan.

Overheid en bankwezen

Om het verhaal van Greco te kunnen volgen moet ik nog twee dingen kort uitleggen. Dat is de rol van de overheid en die van het bankwezen. Een overheid zou je in termen van onze voorbeeld economie gewoon als een individu kunnen behandelen. Een overheid consumeert ook gewoon goederen (ambtenaren die moeten eten). Een overheid heeft echter een unieke bron van inkomsten, namelijk belastingheffing. Belastingheffing betekent in termen van onze voorbeeld economie dat je van alle burgers een deel van hun goederen opeist. Verder kan een overheid ook investeren. Ze kan bruggen bouwen, scholen stichten etc. Ook voor de overheid geldt een 'budget constraint'. De goederen die ze bij haar burgers afvangt (belastingen) kunnen worden aangewend voor consumptie (ambtenaren salarissen) of voor investeringen (bruggen bouwen). Als ze op enig moment meer wil doen dan de belastinginkomsten toelaat, dan zal ze net als een burger gewoon moeten lenen. En net als bij een burger geldt dat ze over de leningen een vergoeding moet betalen en dat alle uitgaven in de tijd niet groter mogen zijn dan alle inkomsten in de tijd (life time budget constraint voor de overheid).

Overheid

Een overheid is anders dan een burger omdat een overheid in principe oneindig lang leeft en altijd maar weer opnieuw aan haar renteverplichting kan voldoen door weer nieuwe schulden aan te gaan. Zolang iedereen gelooft dat de overheid uiteindelijk toch haar schuld aflost is dat geen probleem (maar zie de huidige discussie: schulden van landen kunnen zomaar worden afgeboekt, dus het verschil met een burger is hier relatief). Maar de overheid is ook anders dan een burger omdat de overheid de basis geld hoeveelheid in een economie bepaalt. Door aan de knoppen van de geldhoeveelheid te draaien ontstaat inflatie en worden de schulden van de overheid in reele termen kleiner. Op deze manier heeft de overheid een monopolie om haar eigen schulden in waarde te laten afnemen (rationele consumenten zullen dit in hun afweging betrekken en een hogere vergoeding vragen) en zo consumenten-beleggers via de achterdeur te benadelen (inflatie is daarom een vorm van belastingheffing).

Banken

In wezen kan in onze voorbeeld economie iedereen voor bank (als inlener-uitlener) spelen. Je kunt gewoon zelf een schuldbekentenis uitgeven en onderling elkaar belenen. Bij het verhaal van Greco gaat dat gegeven nog een belangrijke rol spelen. Dat is allemaal niet erg praktisch natuurlijk. In termen van de goederen economie is een bank een regeling waar het surplus aan goederen wordt gestald en waar iemand met een tekort naar toe kan om goederen op te halen. Er worden wat formulieren getekend en klaar. Later worden de goederen met vergoeding weer teruggebracht en kan de oorspronkelijke eigenaar ze weer ophalen. So far so good. In deze termen is een bank gewoon een soort administratie-huis die de handel versoepelt.

Maar de praktijk is uiteraard anders. Een bank hoeft fysiek natuurlijk niet al die spullen op en neer te sjouwen. Ze houden gewoon een kasboek bij met wat iedereen tegoed heeft. Nog steeds niets aan de hand. Maar het unieke van (zogenaamde geldscheppende) banken is het simpele feit dat een saldo bij een bank kan volstaan als definitieve betaling (waarbij het saldo van de een wordt verhoogd en het saldo van de ander wordt verlaagd). Op deze manier creeert een bank haar eigen mogelijkheid leningen af te sluiten waar 'niets' tegenover staat. Ook een bank kan op deze manier dus inflatie veroorzaken. Dat is de reden dat banken onder toezicht staan van de overheid. Het gaat hier om een unieke quasi-monopolie positie (quasi omdat er natuurlijk meerdere banken bestaan die elkaar tot op zekere hoogte beconcurreren) die banken in staat stelt niet alleen een vergoeding te vragen over haar bewaar-werk maar ook een uniek verdienmodel in het leven roept waarbij ze als het ware eigen geld kunnen maken en daar ook nog een vergoeding over kunnen berekenen.

Evaluatie Greco

Banken krijgen in het boek van Greco de wind van voren. Greco stelt (zie later) dat het monopolie van banken en hun verdienmodel onze economie intrinsiek niet duurzaam maken. De onderlinge vervlechting van banken met overheden leidt tot steeds grotere schulden en dit weer tot steeds grotere rentelasten. Uiteindelijk resulteert dat in een (bewuste) concentratie van vermogen en macht die een rechtvaardige en duurzame samenleving in de weg staan en nu de reden zijn dat de wereldeconomie in een meervoudige crisis terecht is gekomen. Het pleidooi van Greco komt er in een notendop op neer dat er alternatieven zijn die de vicieuze cirkel van macht en schuld kunnen doorbreken. We kunnen van onderop met nieuwe ict-technieken onze eigen initiatieven financieren zonder de traditionele banken daarbij nodig te hebben.

Vooraf is het goed te stellen dat Greco niet zomaar een onderzoeker of wetenschapper is. Onder een wetenschapper versta ik dan iemand die 'gewoon' naar de feiten kijkt en daar dan conclusies uit trekt (ik denk niet dat die bestaan, maar dat terzijde). Greco is iemand met een missie, iemand die met een passie de verschijnselen van geld en krediet bestudeert met als doel de democratisering van financiering en de economie. Het gaat hem niet alleen om het begrijpen maar ook om het veranderen, het gaat hem om economische gelijkheid, persoonlijke vrijheid, wereldvrede en ecologisch herstel. Het is maar dat u het weet.

Het mooie of uitzonderlijke van dit boek (van Greco) is dat het oplossen van het geldprobleem geen onderdeel is van een bredere aanpak, nee, het is de werking van de huidige economie en het huidige bankwezen die een andere, betere, duurzamere, rechtvaardigere inrichting van onze samenleving fundamenteel in de weg staat. Banken als veroorzaker van de diepe crises en wortel van het kwaad dus. De ondertitel van het boek luidt dan ook: '.. en de toekomst van onze samenleving'. Als het financiele stelsel niet fundamenteel anders wordt ingericht zullen wereldoorlogen over de schaarse hulpbronnen (energie, water, voedsel, grondstoffen) onvermijdelijk zijn en zitten we nu aan de vooravond van een 'new dark age'.

Waarom is het nu dan fout geregeld? De oorzaak van het kwaad ligt volgens Greco in het bestaan van rente. Rente op rente geeft een exponentieel verloop in de tijd. We komen daardoor onvermijdelijk terecht in een zich verergerende schuldsituatie die op den duur moet barsten ('a money bomb'). De staat en banken spelen daarbij onder een hoedje. De staat heeft het monopolie op de uitgifte van geld (bepaalt hoe het geld eruit moet zien om geaccepteerd te worden als finale kwijting van bijvoorbeeld belastingschulden). De staat geeft exclusieve licenties uit aan een beperkt aantal instellingen (banken) die kredieten mogen verlenen op basis van de hen toevertrouwde middelen. De staat ontdekt vervolgens dat zij zelf ook gebruik kan maken van de kredietfaciliteiten van de banken om meer uit te geven dan ze aan belastingen binnen krijgt. De gevolgen zijn uiteindelijk meer inflatie en bij gebrek aan aflossingscapaciteit het afstempelen van de schulden.

Waar deze redenering van Greco in feite op neer komt is dat de staat via haar geldverschijnings monopolie er naast rechtstreekse belastingheffing instrumenten bij krijgt om tot grootscheepse herverdeling van macht en rijkdom over te gaan. Want zowel inflatie als afstempelen betekent een gedwongen herverdeling van bezit. Ondertussen garen de bankinstellingen er garen bij want zij bepalen tot op zekere hoogte wat ze spaarders aan rente vergoeden en wat ze bij kredieten aan rente opeisen. Het monopolie surplus van de banken vloeit in de tussentijd weg naar te grote en luxe gebouwen, naar te hoge niet marktconforme salarissen, naar bonussen en naar dividenden.

De enige uitweg uit dit systeem is alsmaar blijven groeien, alsmaar extra productie en extra verkopen, om de rentelasten te kunnen bijbenen. Maar dat systeem leidt volgens Greco tot een uitputting van grondstoffen en dus tot huidige ecologische crisis. Bankiers en politici zitten onderling in een financieel complot en houden elkaar de hand boven het hoofd. Bankiers hebben een sterke lobby richting politieke besluitvorming en beloven interessante banen en privileges aan politici voor na hun bestuursperiode. In de woorden van Greco is er geen sprake van een scheiding van geld en staat.

Op een aantal punten kan ik met Greco meegaan. Als ik geschiedenisboeken lees en naar de evolutie van onze soort kijk (biologieboeken) dan is strijd en macht een grote constante. Dat staat en banken elkaar de bal toespelen wil ik best geloven. Natuurlijk is er een lobby van banken om hen onwelgevallige beslissingen te mitigeren en natuurlijk zijn er politici die gevoelig zijn voor toekomstige beloningen. Het gaat om veel geld en grote belangen, dus laten we vooral niet naief zijn. Banken hebben een unieke monopolie positie en zullen die zo lang het kan profijtelijk in stand houden. Ook is het ontegenzeggelijk zo dat de staat op meerdere manieren tot herverdeling van macht en rijkdom kan komen. Officieel is het door belastingheffing (en herverdeling van de opbrengsten) maar feitelijk worden inflatie en afstempeling ook (al dan niet bewust )ingezet bij herverdeling.

Maar is de oorzaak van de crisis dat er rente op schulden wordt berekend? Ik hoop in mijn lange inleiding te hebben laten zien dat rente een normaal onderdeel is van economische interactie. Rente vindt zijn oorsprong in tijdsvoorkeur, risico op wanbetaling en alternatieve mogelijkheden van aanwending van middelen met een hoger reeel rendement. Ook zonder staat en zonder banken zouden we het verschijnsel rente krijgen. Overigens kan die rente zoals eerder aangetoond in principe ook negatief zijn.

Wat wel een probleem is is de monopoliepositie van banken en de vergoedingen die banken in een niet perfecte markt (geen vrije toetreding) kunnen vragen voor hun diensten. Niet rente als zodanig is het probleem, maar misbruik van een voorkeurspositie bij gebrek aan echte concurrentie. Maar dan nog. Stel dat je rente op rente moet betalen en dat je schuldenlast steeds groter wordt. Is dat per se een probleem? In mijn ogen niet. Er zijn twee uitwegen voor dit dilemma.

Een uitweg is dat je pas gaat lenen of investeren als je een expliciete afweging hebt gemaakt die belooft dat de toekomstige opbrengsten hoger zijn dan het nu ontstane gemis. Een investeerder gelooft dus in technologische vooruitgang en denkt dat de stijging van de productiviteit ruimt opweegt tegen de schuldenlast. Zolang productiviteitsstijging en schuldenlast hand in hand gaan, hoeft er geen probleem te zijn. Ja maar, zult u zeggen, dat gaat een tijdje goed maar ooit moet het fout aflopen, je kunt niet eeuwig blijven groeien met je productiviteit. Wiskundig gesproken is dat volgens mij een drogredenering en ook praktisch gezien geeft de geschiedenis van de laatste eeuwen aan dat dit wel degelijk kan. Ook hoeft een alsmaar aanhoudende groei niet tot een ecologisch noodscenario te leiden. Groei kan ook betekenen een alsmaar zuiniger wordende automobiel, of een alsmaar productievere opwekking van energie. Wiskundig, theoretisch, economisch snijden deze argumenten van Greco dus geen hout.

Praktisch bekeken ligt het natuurlijk wel genuanceerder. Onze focus op korte termijn belangen, onze neiging om problemen op anderen af te wentelen, en onze verslaving aan ieder jaar weer meer, kunnen er makkelijk toe leiden dat de innovaties niet tot een evenwichtige groei leiden en in the end leiden tot een onderuitputting van grondstoffen en een opeenstapeling van flatuleuze schulden. In termen van onze eerdere voorbeeld economie: we houden ons bij onze leen- en investering beslissingen niet aan onze eigen 'life time budget constraints' en er zijn te weinig 'checks and balances' om hier op toe te zien. Aan individuen en regeringen waarvan we nu al weten dat ze nooit terug zullen en kunnen betalen worden desondanks leningen verstrekt (in de wetenschap dat we de lasten toch af kunnen wentelen op een andere partij zoals de belastingbetaler of een volgende generatie).

Een andere uitweg uit het probleem is dat om de zoveel tijd de zaak inderdaad zal klappen. Door allerlei omstandigheden kan de boel uit de pas gaan lopen, schulden kunnen niet meer worden terug betaald, de gehoopte innovatie blijft achterweg etc. Om de zoveel jaar krijg je dan een volledige afstempeling van alle schulden en start alles weer van voren af aan met een schone begin balans. Ook hier geldt weer dat we modelmatig een systeem kunnen voorstellen dat zo werkt met alle plussen en minnen. Of we per saldo gebaat zijn bij zo'n gang van zaken en of we het een andere kant in kunnen sturen, dat zijn terechte vragen.

De grote zorg van Greco is de ongelijkheid die het huidige systeem oplevert. Remember: Greco is de man met een missie. Niet de banken of de staat als zodanig zijn de oorzaak van ongelijkheid. Ze kunnen en zullen de ongelijkheid mogelijk wel verergeren. De ongelijkheid zit hem al in de uitgangssituatie. De eenvoudige economische modellen van hiervoor hebben als kern dat je in bezit van resources bent (tijd, arbeid, energie, inventiviteit, omgeving) en dat je die in de tijd optimaal probeert aan te wenden. Niet iedereen heeft dezelfde resources tot zijn beschikking. De een is productief en de ander niet. De een heeft toevallig een schaarse capaciteit en de ander eentje die al volop aanwezig is. De ene begint net op een ongelukkig moment, de ander is de markt net voor. De een leeft sober en spaart veel, de ander maakt meer op dan hij tot zijn beschikking heeft. De ene kan een hoge vergoeding vragen, de andere niet. Dit zijn allemaal normale elementen in het economische spel. Het start met ongelijkheid en het eindigt met ongelijkheid. Gelijkheid is geen doel van economische interacties. Wat we wel kunnen doen is zo goed mogelijk begrijpen hoe het systeem werkt en daar in goed overleg op ingrijpen in een richting die we wel voorstaan. Bedenk echter dat elke ingreep ook weer nieuwe problemen en effecten sorteert.

alleen zoeken in Stratum Strategie